Hele dagen pis en schijt

30-05-2017

Een 92-jarige dame is opgenomen op de afdeling, heupfractuur. Opereren is geen optie meer en de lichamelijke toestand van Mw gaat denderend achteruit. Mw krijgt een gipsbroek in verband met ondragelijke pijn. De acht kinderen van mevrouw komen geregeld op bezoek. Eén van de zoons lijkt ons beroep niet te waarderen 'Wat een smerig beroep, alleen maar schijt en pis ruimen, hele dagen! Bah!'. Ik denk in mezelf, niet weer, niet weer zo'n persoon..

Het is twee uur in de middag en ik krijg een belletje op mijn pieper. Ergens in mijn hoofd weet ik al waarvoor mevrouw belt. Deze mevrouw heeft een heupfractuur en zit in een gipsbroek. Een broek van gips met één pijp en gips rond haar middel. Ik loop de kamer binnen en mevrouw vertelt mij 'Zuster, ik moet poepen'. Drie van de acht kinderen zijn op dat moment bij mevrouw op bezoek. 'Geen probleem, ik haal de po voor u', zeg ik vriendelijk. Ik hoor in één van de zoons zijn stem sarcasme 'Ga je nou weeral zo stinken ma?! HAHA'. Ik kan er minder hard om lachen. Samen met een collega helpen we mevrouw op de po in bed, we vragen of mevrouw goed zit, leggen het belletje bij haar en laten haar eventjes met rust.

Ik vlieg verder over de afdeling, want de zorg gaat gewoon door. Een opname, een ontslag, hulp bieden aan zieke patiënten en tussendoor een lekkende wond verzorgen. Geen enkel probleem! Ondertussen staan de drie zoons van mevrouw op de gang te wachten. Mijn rapportagekar staat naast ze en ik begin te rapporteren. Ik vang een gesprek op tussen de zoons. 'Het zal je werk maar zijn', zegt er eentje, waarop de ander reageert 'Hele dagen schijt en pis opruimen, gatverdamme! Wat een smerig beroep. Ik zou het me niet kunnen indenken dat dit mijn werk zou zijn'. Mijn humeur verslechtert met de seconde. 'Hele dagen in die stank rondlopen.', voegt de derde zoon eraan toe. Mijn bloed begint te koken 'Rustig blijven Esmée', denk ik in mijzelf. De zoons beginnen uit te dagen 'Is het niet... Zuster?'. Ik draai me om. 'Gelukkig bestaat ons vak uit nog vele andere dingen meneer.', vertel ik kalm. De reactie die ik krijg is onbegrip, een neerbuigende blik. Ongelofelijk denk ik in mezelf.

Waar is het wederzijds respect gebleven? Waar is het begrip voor ons vak, het vak wat ik met hart en ziel uitvoer en mij iedere dag zo voor inzet gebleven? Het vak waarbij ik aan patiënten hun sterfbed zit, een hand vasthoud en bij een laatste adem aanwezig ben. Het vak waarbij we zorgen dat patiënten de juiste medicatie toegediend krijgen, in juiste dosissen en op juiste tijdstippen. Het vak waarbij we in nauw contact staan met andere disciplines om tot de best mogelijke zorg te komen. Het vak waarbij ik de voeten van onder mijn lijf ren om te zorgen dat vader, moeder, oma, opa, kind of nichtje zich comfortabel voelt, waarbij ik angst wegpraat, deze aan het lachen probeer te krijgen en even het ziekenhuis laat vergeten. Het vak waarbij ik zorg dat patiënten met een goed gevoel de ziekenhuisdeur uitlopen en terugdenken aan die lieve zusters die soms streng, maar altijd rechtvaardig zijn.

Het belletje gaat, samen met een collega lopen we mevrouw haar kamer binnen. 'Is het gelukt mevrouw?' vraag ik, 'Ja zuster', antwoordt mevrouw. We ruimen de spulletjes op en openen de deur voor de zoons. Eén van de zoons roept over de gang 'En moeders, toch niet weer zo'n stinklucht achtergelaten he?!'. Ik loop weg, 'Laat het los, hierop ingaan heeft geen nut', denk ik in mijzelf. Ik zie een bed binnenrijden, spoedopname. De frustratie ebt weg, concentratie is vereist op het moment, geen schijt en pis deze keer, maar een complexe situatie die alle aandacht vereist.