Het verslindt me

06-08-2018

Soms is het lastig. Soms komt het te dichtbij. Ik heb het niet over 'hoe dichtbij kan jij handelen' in de zin van lichamelijk te dichtbij komen. Ik heb het nu over mentaal te dichtbij komen. Niet voor de cliënt, maar voor mij, als mens en als zorgprofessional.

Over het algemeen kan ik redelijk goed casussen naast me neerleggen wanneer mijn werkdag erop zit. Alleen soms heb je er casussen tussen zitten die te dichtbij komen. Ik weet niet goed hoe ik het uit moet leggen, maar laat me een poging doen.

Ons West-Zeeuws-Vlaams stukje land heeft een ons-kent-ons cultuurtje. Iedereen kent iedereen en wanneer Pietje bij Jantje op bezoek is geweest of Fleurtje stiekem Klaasje een kusje heeft gegeven, weet gelijk de hele buurt in een straal van honderd meter het en na tien minuten weet iedereen in een straal van vijf kilometer het. Nee, ik overdrijf. Maar je begrijpt mijn punt wel. Het is iets moois, maar soms ook iets wat verstikkend werkt.

Het maakt dat er een gemeenschap ontstaat waarin er aan mij, als wijkverpleegkundige, direct bij het eerste bezoek werd gevraagd: 'Van wie ben jij er eentje?', waarna de gesprekken op gang kwamen en de stambomen werden uitgepluisd op zoek naar die ene in de familie die hij of zij mogelijk zou kunnen kennen. Dit gebeurde ook andersom. In ons beroep, zeker in de thuiszorg, is het belangrijk om te weten hoe de sociale kring van een cliënt eruitziet. Dat maakt dat ik bij het eerste contact inga op de vraag: 'Heeft u een echtgenoot of echtgenote en heeft u kinderen?'. Zo'n gesprek kan allerlei wendingen krijgen.

Het kan gaan over het overlijden van haar man, over de dood van een van de kinderen of over de geboorte van een tweeling als kleinkinderen. Toen ik nog werkzaam was in West-Zeeuws-Vlaanderen gebeurde het regelmatig, zeg gerust maar vaak, dat ik een familielid kende. Het ging dan meestal om de kleinkinderen. Dat is prachtig, kunnen zorgen voor de oma of opa van iemand die je kent, maar dat maakt het ook lastig.

Ik zat in die gevallen in tweestrijd met mezelf. Ik kwam namelijk in mijn functie als wijkverpleegkundige bij de cliënt, maar kende familieleden persoonlijk, wat ervoor zorgde dat de scheiding tussen privé en werk een grijs gebied werd. Het ging aan me vreten. Een moeder van een oud-klasgenoot met de diagnose longkanker. Een oud-lerares met MS. Een oud-lerares met een hersentumor. De oma van een vriendin die aan het decompenseren was. Een oud-collega van mijn ouders met darmkanker. Een oud-collega van mijn opa met een tracheastoma. Een oud-bazin van mijn vader die overleed in mijn armen en ga zo maar door. De complexe casussen van bekenden bleven komen en het kwam te dichtbij voor mij.

Ik ging er 's nachts van wakker liggen en wanneer ik sliep droomde ik erover. Ik vond het ontzettend lastig om alleen de rol van wijkverpleegkundige in te vullen in deze casussen en dat maakte dat mijn werk me toentertijd verslond. Ik kon het niet meer van me afzetten. Uiteindelijk ben ik ook maar mens, net als ieder ander en kan geen wonderen verrichten zoals ik dat zo graag willen.

Nu, een halfjaar nadat ik ben gestopt met werken in West-Zeeuws-Vlaanderen en de overstap richting het Brabantse heb gemaakt, merk ik het verschil. Het verschil tussen wijkverpleegkundige zijn en daarbij de rol van een bekende voor diegene zijn of alleen wijkverpleegkundige zijn. Het zorgt voor rust in mijn hoofd. Echte afsluiting wanneer je je zusterpak uittrekt en echte rust wanneer je thuis bent.

Voor mij persoonlijk veel gezonder.